Beginpagina

Programma's

PR-00130 D

Een weekschema dat de week volhoudt

Zo bouw je een weekschema voor de dagbesteding dat standhoudt: zware en lichte activiteiten afwisselen, de groep per moment indelen en ruimte laten voor uitval.

Fiche nagekeken op 972 woorden1 bron

Waar de fiche ligt
Programma's · Ref. PR-001
Wat de fiche aanhaalt
rijksoverheid.nl
Inkeping van de lade
Minder dan 30 dagen · Fiche nagekeken op · Terug naar de lade
Een tafel in een lichte dagbestedingsruimte met daarop een papieren weekschema, een kop koffie en een paar potloden, daglicht valt van links naar binnen, overzichtelijk van bovenaf gefotografeerd.
Blad PR-001 Een tafel in een lichte dagbestedingsruimte met daarop een papieren weekschema, een kop koffie en een paar potloden, daglicht valt van links naar binnen, overzichtelijk van bovenaf gefotografeerd.

Een weekschema houdt de week vol als je zware en lichte activiteiten afwisselt, de groepsgrootte per moment kiest en vanaf de start ruimte inbouwt voor dagen waarop iets niet doorgaat. Zet niet elke dag vol: plan liever vier of vijf vaste blokken en laat de rest open. Zo blijft er lucht als een begeleider uitvalt of een deelnemer een slechte dag heeft.

Hoe bouw je een weekschema op dat niet op maandag al vastloopt?

Begin bij de vaste punten die toch al bestaan: maaltijden, koffiemomenten, het ophalen en terugbrengen van deelnemers. Daar hang je de activiteiten aan vast. Een weekschema dat naast de dagelijkse routine staat, loopt op maandag vast omdat het te veel vraagt van dezelfde uren.

Werk met een vaste indeling per dagdeel in plaats van per kloktijd. Ochtend, middag en late middag zijn genoeg. Binnen elk dagdeel kies je één hoofdmoment en één rustig moment. Zo weet iedereen waar hij aan toe is, zonder dat je minuten hoeft te plannen.

Houd maandag licht. De groep moet op gang komen, nieuwe deelnemers wennen, en de begeleiding heeft overleg en administratie. Plan op maandag iets bekends en laagdrempeligs, bijvoorbeeld een koffiemoment met muziek of een wandeling. Bewaar het intensieve werk voor dinsdag en woensdag, als de week op stoom is.

Wie met muziek werkt, kan voor de opbouw van een dansmiddag of een optreden putten uit de praktijkbeschrijvingen van Toronto Big Band Notebook. Daar staat hoe een orkest een avond opbouwt: welke nummers wanneer komen, hoe je het tempo opvoert en hoe je afsluit. Diezelfde opbouw is bruikbaar voor een middag in de dagbesteding.

Hoeveel activiteiten passen er in een week?

Reken op vier tot zes vaste activiteiten per week, verdeeld over de dagdelen. Dat is een richtlijn, geen norm. Een groep met veel ouderen of mensen met een verstandelijke beperking heeft baat bij minder, een actieve groep verdraagt meer.

Tel niet alleen de activiteiten, maar ook de overgangen. Aankleden, verplaatsen, wachten, opruimen: dat kost tijd en energie. Een ochtend met één activiteit en een rustig middagprogramma is vaak voller dan hij lijkt.

Verdeel de week in drie soorten momenten:

  • Zware momenten: uitstapjes, optredens, koken met de groep, sport en spel in teamverband. Maximaal twee per week.
  • Lichte momenten: muziek luisteren, geheugenspel, handmassage, samen koffie drinken. Deze kun je vaker inzetten.
  • Open momenten: geen programma, alleen aanwezigheid en een praatje. Plan er bewust minstens één per week.

Zo ontstaat een ritme waarin inspanning en herstel elkaar afwisselen. Een week met alleen maar hoogtepunten put de groep uit en de begeleiding ook.

Wanneer zet je een grote groep neer en wanneer een kleine?

De groepsgrootte volgt uit het doel van het moment, niet uit het aantal stoelen dat vrij is.

Kies een grote groep bij activiteiten die dragen op sfeer en gezelschap: een optreden, een feestmiddag, samen zingen, een film. Mensen kunnen meedoen op hun eigen niveau en hoeven niet allemaal aan het woord te komen. De begeleiding houdt overzicht en let op wie afhaakt.

Kies een kleine groep bij activiteiten die aandacht per persoon vragen: reminiscentie, koken, een wandeling, een gesprek over vroeger. Zes tot acht mensen is dan meestal de bovengrens. Bij sondevoeding, prikkelarme zorg of een sfeerkamer werk je vaak met twee of drie deelnemers.

Een tussenweg is de wisselgroep: een grote groep die in twee rondes werkt. De ene helft doet mee aan het hoofdprogramma, de andere helft zit aan tafel met koffie en een gesprek. Na een half uur wissel je. Zo krijgt iedereen aandacht zonder dat je de hele groep opsplitst.

Zet de groepsgrootte in het schema zelf. Niet als getal dat vastligt, maar als richting: groot, klein of wissel. Dan weet de begeleiding wat er nodig is en kan ze bij uitval schuiven.

Hoe laat je ruimte voor dagen waarop iets niet doorgaat?

Plan nooit alle dagdelen vol. Houd per week twee blokken leeg, bij voorkeur op donderdag en vrijdag. Die blokken gebruik je voor uitloop, voor een deelnemer die aandacht nodig heeft, of voor een activiteit die eerder is blijven liggen.

Maak een plan B dat evenveel voorbereiding kost als plan A. Een uitstapje dat niet doorgaat door regen vervang je door een binnenactiviteit met hetzelfde thema. Een artiest die afzegt vervang je door muziek uit de kast en een gesprek erover. Zet die vervangers in het schema, zodat niemand hoeft te improviseren.

Zeg activiteiten ook echt af als ze niet passen. Een half programma met een uitgeputte groep is geen succes. Beter is om te schrappen en de tijd te gebruiken voor rust, een gesprek of een wandeling.

Hoe houd je het schema levend?

Evalueer elke week kort, in vijf minuten tijdens de overdracht. Drie vragen zijn genoeg: wat liep goed, wat kostte te veel, wat schuift door naar volgende week. Noteer het in het schema zelf, niet in een apart verslag.

Herzie het schema per seizoen. Wat in de zomer werkt, werkt in december niet. Licht en weer bepalen hoeveel energie er is. Plan in de donkere maanden meer lichte momenten en minder uitstapjes.

Betrek de deelnemers bij de indeling. Vraag welke activiteit terug mag komen en welke niet. Een schema dat door de groep wordt gedragen, houdt langer stand dan een schema dat van bovenaf is opgelegd.

Wat doe je als de groep verandert?

Een weekschema is geen contract. Nieuwe deelnemers, vertrekkende begeleiders en veranderende zorgvragen vragen om aanpassing. Kijk elke maand of de indeling nog klopt met de groep die er nu is.

Bij een zwaardere zorgvraag verklein je de groepen en verleng je de rustmomenten. Bij een actievere groep kun je een extra uitje toevoegen, mits je de hersteltijd ernaast plant. Het evenwicht tussen zwaar en licht is belangrijker dan het aantal activiteiten.

Zo blijft het schema een werkdocument: bruikbaar op maandag, vol te houden op vrijdag, en eerlijk over wat er niet doorgaat.

Inhoud van de fiche

  1. Hoe bouw je een weekschema op dat niet op maandag al vastloopt?01 / 06
  2. Hoeveel activiteiten passen er in een week?02 / 06
  3. Wanneer zet je een grote groep neer en wanneer een kleine?03 / 06
  4. Hoe laat je ruimte voor dagen waarop iets niet doorgaat?04 / 06
  5. Hoe houd je het schema levend?05 / 06
  6. Wat doe je als de groep verandert?06 / 06

Notities bij de opname

  1. rijksoverheid.nl

Verder lezen